Branche voor duurzame inzetbaarheid
← Terug naar het overzicht

SER-advies over Energietransitie en werkgelegenheid

De energiesector is in transitie. Overstappen van fossiele vormen van energie naar nieuwe vormen zoals wind, zon, of geothermie vereist enorme investeringen. Niet alleen in technologie maar vooral ook in mensen. Om de klimaatdoelen van het kabinet te halen moet snel worden geïnvesteerd in scholing, het aantrekken van mensen, en in begeleiding van werk naar werk voor wie zijn functie ziet verdwijnen.

De SER geeft 7 handvatten voor een integraal arbeidsmarktbeleid (samenvatting)

1. Integrale Human Capital agenda’s

  • Bij de voorbereiding voor het komende Klimaatakkoord moet expliciet rekening worden gehouden met de arbeidsmarktaspecten van voorgestelde maatregelen op elk van de vijf sectortafels. Daarbij staat de SER een aanpak voor ogen vergelijkbaar met die in de zorgsector, waar grote tekorten aan arbeidskrachten worden verwacht en waar tegelijkertijd de aard en de kwaliteit van de arbeid veranderen.
  • De beoogde integrale aanpak voor de energietransitie kan net als in de zorgsector uit landelijke afspraken en regionale actieplannen bestaan.

2. Vertaling in regionaal-economische agenda’s

  • De aanpak van werkgelegenheidskansen en arbeidsmarktknelpunten moet plaatsvinden op het schaalniveau waar deze zich aandienen. Met de verdere intensivering van het energietransitie- en klimaatbeleid is het cruciaal dat de kansen, mogelijkheden en negatieve bijeffecten van de energietransitie en de regiospecifieke arbeidsmarkteffecten hiervan onderdeel worden van het te ontwikkelen regionaal-economische beleid.
  • Het is ook van belang dat het klimaat- en energiebeleid en de gevolgen hiervan voor de arbeidsmarkt onderdeel gaan uitmaken van de bredere regionaal-economische agenda’s zoals die bijvoorbeeld worden ontwikkeld door Economic Boards, regionale ontwikkelingsmaatschappijen en provinciale SER’en.
  • Belangrijk aandachtspunt is ook dat het regionaal arbeidsmarkt- en werkgelegenheidsbeleid wordt verknoopt met sectorale activiteiten zoals cao’s, acties van O&O-fondsen en sociale plannen; mogelijk kunnen hierbij ook Europese middelen worden ingezet. Ook vraagt effectief arbeidsmarktbeleid om meer samenwerking tussen sectoren onderling, bijvoorbeeld via de O&O-fondsen. Hierbij is het zaak leerervaringen te benutten die worden opgedaan bij lopende en recent afgeronde projecten waarin is gewerkt aan het verbeteren van regie en samenwerking bij ‘van-werk-naar-werk’-activiteiten en het verknopen van regionaal en sectoraal arbeidsmarktbeleid.

3. Onderwijs, scholing en leercultuur

  • De extra arbeidsvraag door geïntensiveerd klimaat- en energiebeleid vraagt om aanpassing van het huidige onderwijs en scholingsaanbod om de extra arbeidsvraagop te leiden. Het flexibel en vraaggestuurd maken van het beroepsonderwijs maakt hier tevens onderdeel van uit. Op die manier kan het beroepsonderwijs ook een cruciale rol vervullen in het leven lang ontwikkelen. Verder is er meer samenhang en afstemming nodig om werkenden op te leiden met nieuwe kennis en vaardigheden, en bestaat behoefte aan opschaling.
  • Om versnippering op het terrein van onderwijs- en scholingsbehoefte te voorkomen, is het gewenst om een gericht beleid in een sterke leercultuur in te bedden, dat inspeelt op de arbeidsmarktbehoeften die uit de energietransitie voortvloeien en waarin blijven leren en ontwikkelen voor iedereen een vanzelfsprekendheid is. De SER werkt daarom met een groot netwerk van stakeholders aan het van onderop aan een beweging en een gezamenlijke ‘doe agenda’ om het (blijven) leren van mensen, werkenden én organisaties toegankelijk en vanzelfsprekend te maken. Ook is het belangrijk dat er verbinding wordt gelegd tussen deze ‘doe agenda’, de Taakgroep Arbeidsmarkt en scholing binnen het klimaatakkoord en de activiteiten van het Techniekpact.
  • Verder wordt er gewerkt aan een vernieuwd Techniekpact. De veranderende beroepseisen vragen onder andere om investeringen in het op peil brengen en houden van machines en instrumenten in het onderwijs (technische hulpmiddelen en innovaties) en om investeringen in specifieke voor de energietransitie ingerichte opleidingstrajecten/modules.

4. Inclusief

  • Een integrale aanpak moet inclusief zijn en daarom ook afspraken bevatten om het beschikbare arbeidspotentieel beter te benutten. Hierbij gaat het om het faciliteren van mensen om meer uren te gaan werken, bevorderen van arbeidsdeelname van vrouwen, met name in het aantal te werken uren, et cetera.
  • Nieuwe technologische ontwikkelingen bieden kansen voor mensen met een arbeidsbeperking, bijvoorbeeld in de smart industry waar zij dankzij de inzet van nieuwe technologieën complexer werk kunnen doen.

5. Arbeidsomstandigheden, sociaal overleg en arbeidsvoorwaarden

  • Met de transitie zullen nieuwe activiteiten en ondernemingen ontstaan die van invloed zijn op de arbeidsrelatie en andere sociale verhoudingen. Van belang is dat ook in deze sectoren goede arbeidsomstandigheden, arbeidsvoorwaarden (beloning, medezeggenschap, ontplooiingsmogelijkheden) en medezeggenschap geborgd zijn.
  • Om mensen succesvol van de “oude” naar de nieuwe activiteiten te laten gaan, is van belang dat andere typen dienstverbanden of aanpassing van de rechtspositie geen obstakels opwerpen voor van-werk-naar-werk mobiliteit van werknemers.
  • De energietransitie brengt ook nieuwe (deel-)sectoren en bedrijven voort waar nog geen sprake is van gereguleerd overleg en afspraken tussen sociale partners over arbeidsvoorwaarden, faciliteiten op het terrein van arbeidsmarkt en –scholing, arbeidsverhoudingen. Het is belangrijk dat sociale partners ook in deze nieuwe sectoren de noodzakelijke sociale infrastructuur tot stand gaan brengen.

6. Beter zicht op arbeidsmarktontwikkelingen nodig

  • Verbeter de arbeidsmarktinformatie die voor de energietransitie en het klimaatbeleid nodig is. Het gaat hierbij zowel om het monitoren van feitelijke ontwikkelingen als om het in kaart brengen van toekomstige arbeidsmarktbehoeften

7. Opvangen van werkgelegenheidsverlies

  • Bij de aanpak van werkloosheid door de energietransitie staan twee uitgangspunten centraal: inclusief arbeidsmarktbeleid en een bijzondere rol voor het Rijk om te zorgen voor een ‘eerlijke transitie’.
  • In de integrale aanpak en de Human Capital Agenda’s moet nadrukkelijk aandacht zijn voor de werknemers die hun baan (dreigen te) verliezen.
  • Waar mogelijk moet tijdig worden voorbereid op werkgelegenheidsverlies. Het is dan in ieders belang dat de werkgever regelmatig met de werknemer in gesprek gaat over zijn of haar ontwikkelingsmogelijkheden en de relevantie hiervan voor betrokkene. Instrumenten hiervoor zijn onder meer een loopbaanadvies en een (persoonlijk) opleidingsbudget. Daarnaast zijn er de bestaande instrumenten als intersectorale mobiliteit.
  • De krimp en sluiting van fossielgeoriënteerde bedrijven vraagt veelal, met inachtneming van de rol van de overheid, om een regionale/sectorale aanpak. Zeker als het om grote aantallen werknemers gaat, zal sprake zijn van samenwerking tussen diverse instanties met inzet van een pakket van maatregelen. Hierbij kan lering worden getrokken uit de aanpak van enkele specifieke gevallen van grootschalig werkgelegenheidsverlies uit het recente verleden.
  • Met de sluiting van de kolencentrales is de werkgelegenheid van zo’n 2.700 werknemers in de gehele kolenketen in het geding. Werkgevers en werknemers zullen zich op een sociaal verantwoorde manier op de afbouw van deze sector moeten kunnen voorbereiden.
  • De SER stelt voor dat het kabinet met de sociale partners overlegt over de wijze waarop het Rijk invulling geeft aan zijn maatschappelijk verantwoordelijkheid om te borgen dat er voldoende middelen in de vorm van een kolenfonds beschikbaar zijn om de arbeidsmarkt- en sociale gevolgen voor werknemers in de hele kolenketen bij sluiting van kolencentrales op een sociaal verantwoorde manier op te vangen, die uiteindelijk werkloos (dreigen te) raken en mogelijk langdurig werkloos worden. Dit geldt in het bijzonder voor degenen waarvoor geen arrangementen, faciliteiten en voorzieningen beschikbaar zijn, zoals mensen in de kolenketen die buiten de centrales werkzaam zijn.
  • Het overleg tussen het kabinet en de sociale partners vormt een onderdeel van de concretisering en uitwerking van het kabinetsbesluit tot sluiting van de vijf resterende kolencentrales.
  • In aanvulling op beschikbare arrangementen, faciliteiten en voorzieningen kunnen de volgende elementen aan de orde zijn om een effectieve aanpak vanuit arbeidsmarktoptiek en een sociaal verantwoorde afbouw via maatwerk te realiseren: om-/bij-/herscholing, begeleiding naar ander werk, tijdelijke suppletie bij uitkering of in geval van aanvaarden lager betaalde baan, omgaan met consequenties voor pensioenopbouw, maatwerkregeling voor ouderen in situaties waar de kans op werk minimaal is. Deze toegespitste benadering voor een bepaalde categorie werknemers verzekert een sluitende aanpak.

Lees het volledige advies.

Bron: SER

Zie ook: